Bewijsbrug
Wat stelt het doorslaggevende bewijs uit de Tanach vast over deze bewering: verandert Hebreeën 9 een verbond in een testament waarvoor de dood van de maker vereist is?
De vraag is of Hebreeën 9 een geldige christologische woordspeling gebruikt of een vereiste in de Tora leest die het Hebreeuwse verbondsrecht zelf niet kent.
Wat dit artikel heeft vastgesteld
Hebreeën 9 benut het Griekse woord diathēkē, dat zowel in de sfeer van verbond als testament kan functioneren, om te betogen dat de dood vereist is. Exodus 24 bekrachtigt een verbond met offerbloed, maar de Maker van het verbond sterft niet. De testamentanalogie is een latere interpretatieve stap, geen Tora-regel voor een verbond.
- Vastgesteld: het Griekse diathēkē kan functioneren in het betekenisveld van verbond en testament.
- Vastgesteld: Hebreeën 9 gebruikt de logica van de dood van de erflater.
- Vastgesteld: Exodus 24 bekrachtigt het verbond met offerbloed, terwijl Hasjem, de Maker van het verbond, niet sterft.
- Vastgesteld: Jeremia 31 zegt niet dat de Maker van het nieuwe verbond moet sterven.
- Mogelijk binnen de christelijke theologie: de woordspeling en het offerpatroon van Hebreeën vormen een christologisch betoog.
- Niet onderbouwd vanuit het Hebreeuwse berit en het Tora-verbondsrecht: ‘een verbond vereist de dood van zijn maker.’
De vraag die nog openstaat
Doorstaat het bredere betoog van Hebreeën over beter verbond, priesterschap en verzoening dezelfde toets aan Jeremia 31, de Tora-regels en de genoemde verbondspartners?
Waarom dit boek de volgende stap is
THE EPISTLE TO THE HEBREWS VS. THE HEBREW BIBLE verbreedt deze ene woord- en rechtsvraag naar het volledige verbonds- en verzoeningsbetoog van Hebreeën.
Ga voor de bredere toets van verbond en testament in Hebreeën verder naar THE EPISTLE TO THE HEBREWS VS. THE HEBREW BIBLE.
